Shadrach Maloka

Shadrach Maloka (1929-1996) was Evangelist in Zuid-Afrika. Stichting Opdracht in Afrika heeft zich ten doel gesteld om zijn levenswerk voort te zetten.

Uitzending van EO metterdaad op 12 mei 2012 met een terugblik van het werk van Shadrach Maloka

 

 

Een gangster gered

Het levensverhaal van Shadrach Maloka

Shadrach Maloka, afkomstig uit de zwarte woonstad Soweto bij Johannesburg in Zuid-Afrika, vertelt u persoonlijk hoe zijn leven als verstoten analfabeet en gangster totaal veranderde.  

Het jaar 1947 zal ik nooit vergeten. Het was het jaar, waarin ik de Here Jezus ontmoette. Ik wil graag doorgeven, welk wonder Hij in mijn leven heeft gedaan. Tot die tijd leefde ik diep in het moeras van het verderf. Hoe meer ik het geluk in de wereld zocht, hoe hopelozer ik werd. De vijand kreeg zo de overhand op mij, dat ik alles wat met God te maken had vervloekte.

Mijn moedertaal is Sotho. De naam, die ik in deze taal kreeg, was "Mohanoe"; dat betekent "verstotene". Die naam stemde vanaf mijn geboorte overeen met mijn levensweg. Of ik nu in de kring van familie of bekenden was of waar dan ook, altijd was ik de verstotene. Geen wonder, dat mijn minderwaardigheid toenam; ik voelde me een buitenstaander van de gemeenschap.

Toen ik er probeerde achter te komen, waarom ik deze naam bij de geboorte had gekregen, vertelde men mij, dat mijn moeder als jong meisje nooit haar ouders gehoorzaamde. Zij ging in alles haar eigen weg en viel steeds dieper in de afgrond van de zonde. Uiteindelijk wist ze dat ze moeder zou worden. De ouders vroegen haar naar de vader. Zij wees een bepaalde jongeman aan, maar deze ontkende en ging weg. Toen ik geboren werd, noemde men mij, omdat mijn vader mij verloochende, de "verstotene". Mijn moeder was niet beter. Drie maanden na mijn geboorte heeft zij mij ook verstoten. Zij probeerde mij zelfs te doden. Ik heb noch mijn vader noch mijn moeder gekend. Ook mijn geboortedatum weet ik slechts bij benadering. Nog nooit heb ik mijn verjaardag gevierd.

Ik voelde mij van God en mensen verlaten. Uiteindelijk nam mijn grootmoeder mij in huis. Ook haar invloed kon mij niet van tragische zondige wegen bewaren. Ik werd werkelijk een dienaar van de duivel. Tenslotte was ik zo van de duivel bezeten, dat ik besloot, alleen bij de duivel te willen horen, als hij mij bepaalde wereldse genoegens verschafte.

 

Woest en leeg

In dezelfde mate waarin ik mij overgaf aan het plezier van de wereld, werd mijn leven woest en leeg. Ik was mij ervan bewust, dat ik in ontzettende nood was. Maar wie kon mij helpen? Als ik vandaag naar mijn handen kijk, dan ben ik onuitsprekelijk bedroefd, als ik eraan denk, dat ze eens door de vijand werden gebruikt. Wat is er allemaal met deze handen gedaan! Waar de kans geboden werd, heb ik samen met mijn vrienden gestolen. We loerden op mensen die van hun werk kwamen en eisten van hen, hun geld aan ons te geven. Als ze weigerden, werden we razend en grepen onze messen. Het was een beestachtig leven. Wanneer ik in Johannesburg door de straten liep, dan zocht ik ergens een Europese vrouw op, die alleen was. In een ogenblik griste ik haar handtas weg en ging er vandoor. Al die verschrikkelijke dingen kan ik nauwelijks beschrijven.

Uiteindelijk vond ik werk op een boerderij in Oranje-Vrijstaat. Maar ook hier gebruikt ik m'n handen meer om te stelen dan om te werken. Op de velden heb ik mais, aardappels en andere dingen gestolen. Van de melk haalde ik de room af. In alle listen en boosheden was ik bedreven.

Daarna vond ik werk bij de politie. Ik deed toen, alsof ik een braaf man was. Maar op een dag was ook hier het geld verdwenen. Ik zocht gewoon mee. Het geld had ik zo goed verstopt, dat niemand het kon ontdekken.

Ik herinner mij, dat er eens een grote winkel in brand stond. Veel mensen haastten zich, de winkelier te helpen. Ik deed, alsof ik ook meedeed met het bluswerk, maar in werkelijkheid zocht ik naar de la van de kassa. Die vond ik niet, maar desondanks werd een grote voorraad sigaretten mijn buit. Omdat mijn geweten zo belast was, verdrong ik de herinnering door te roken.

Tenslotte nam ik ook dagga, dat in ons land een zeer gevaarlijk verdovend middel is. In verbinding met alcohol kon ik daardoor last krijgen van zeer grote angsten. Het was zo ver, dat mijn geweten steeds meer afstompte en ik recht niet meer kon onderscheiden van onrecht. Was er ergens een kracht, die mij nog uit het moeras van de zonde kon bevrijden?  

 

Kerst 1947

Toen kwam het jaar 1947. Ik had vrouwenkleren aangetrokken, die in flarden om mijn lichaam hingen. Mijn gezicht was bevuild. Dronken liep ik wat rond in de straten van de Maroka-wijk in Soweto. Naar de voorbijgangers riep ik: "Prettige kerstdagen". De mensen lachten om mijn gedrag. Toen gebeurde het, dat er tijdens de kerstdagen een grote tent werd opgeslagen in de wijk. Ik dacht, dat het een bioscoop of een circus was. Dat was het gebied, waarin ik interesse had. Dronken wankelde ik de tent binnen en ik ging ergens in een hoek zitten. Ik had een film verwacht, maar er kwam iets heel anders dan ik dacht. Men toonde de kruisiging van Jezus. Voor de eerste keer hoorde ik, dat Jezus de Zoon van God was en dat Hij voor de zonden van de mensen gestorven is.

Toen kwam er een preek, waar ik aandachtig naar luisterde. Het was, alsof de man alleen tot mij sprak. Hoewel de wereld vol mensen is, heb ik hier ervaren, wat het betekent, als God ons bij name roept. De woorden uit de bijbel waren als pijlen, die rechtstreeks van God kwamen. De oproep voor de eeuwigheid had mij bereikt.

 

Even heb ik gedacht, dat de man inlichtingen over mij moest hebben ingewonnen, maar dat scheen toch niet waar te zijn, omdat de tent nog maar net was aangekomen. Nog weet ik met welke woorden de preek eindigde: "Want het loon, dat de zonde geeft, is de dood, maar de genade, die God schenkt, is het eeuwige leven in Christus Jezus, onze Here" (Romeinen 6:23). Mijn weerstand werd gebroken en ik ging staan op dit Woord. Voor de eerste keer huilde ik om mijn zonden. Toen de oproep kwam, dat ieder, die boete wilde doen en niet wist hoe, achter kon blijven, bleef ik als vastgenageld zitten.

Toen alle anderen de tent hadden verlaten, trokken enkele vrienden mij aan m'n jas. Ze riepen: "Kom, we gaan nu!". Ik gaf als antwoord: "Deze tent zal ik niet eerder verlaten dan dat ik weet, of de God van deze mensen echt bestaat en mij helpen kan". Mijn vroegere vrienden lachten en dreven er de spot mee. Ze zeiden: "Jij, verstotene, bij jou is het boter aan de galg gesmeerd. Je zonden zijn te groot".

Later werd ik gewaar, dat het een tent van de Dorothea-zending was. Toen ik in mijn hoekje achterbleef, kwamen er een paar mannen op mij af. Ze vroegen me vriendelijk: "Waarom ben je hier?". Ik zie: "Ik wil weten, of er voor mij nog vergeving is bij God. Ik ben hopeloos verloren; kan uw God in mijn leven een wonder doen?".

Voor de eerste keer zei men mij de heerlijkste woorden uit de bijbel: "Alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een ieder, die in Hem gelooft, niet verloren ga, maar eeuwig leven hebbe" (Johannes 3:16). Hoe kun je het wonder van het geloof beschrijven? Ik kan het alleen maar aanbidden. Ik hoorde, dat de Zoon van God aan het kruis hing. Ik begreep, waarom Hij ook voor mij gebeden heeft: "Vader, vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen". Dat de liefde van God zo groot is, overweldigde mij. Midden in de tent knielde ik neer en bad het eerste echt gebed van mijn leven: "Here God, als U mij zo liefhebt, dat U Uw Zoon aan het kruis voor mij liet sterven, dan wil ik U mijn hele leven geven".

Alle zonden, die ik mij kon herinneren, heb ik toen voor de Heer beleden. Niets heb ik voor Hem verborgen. Ik zei tegen de Here Jezus: "U weet, ik ben verslaafd aan tabak en dagga, bevrijdt mij! Ik drink en ik steel, bevrijdt mij! U weet, ik leid een onzedelijk leven, bevrijdt mij!". Alles, maar dan ook alles, heb ik bij het kruis gebracht. Mijn laatste verzuchting was: "Here Jezus, kom nu in mijn hart. Maak mij volledig tot Uw eigendom". Onmogelijk kan ik de vreugd en de vrede uitdrukken, die toen in mijn hart kwam. Van dat uur af begon alles in mijn leven nieuw te worden. Het wonder van de wedergeboorte was geschied. 

 

Alles nieuw

Toen ik thuis kwam, zei ik tegen de Here Jezus: "Ik heb nu mijn hele leven aan U overgegeven".

Heel vredig viel ik in slaap. De andere morgen leek het, alsof de wereld helemaal veranderd was. De natuur was onbeschrijflijk mooi. Ik had dit daarvoor nog nooit zo gezien. Waren dat dezelfde bloemen van gisteren? Was dat dezelfde hemel en dezelfde zon? Zongen de vogels niet heel anders? Ik had mijn God ontdekt! En het grootste wonder was: de zin in roken, drinken en vele andere slechte dingen was verdwenen! Wat voorheen voor mij leven was, zag ik nu alleen nog maar als vegeten.

Later kwamen de vrienden. Ze nodigden me uit om mee te gaan stelen. Ik getuigde van Jezus. Mijn vrienden zeiden: "Deze inbeelding zal niet lang duren; je zult de smaak gauw weer te pakken krijgen". Maar de Heer heeft me bewaard. Nooit ben ik weer met m'n oude vrienden meegegaan. Na een week begonnen ze zicht te verbazen. Nu hoopten ze, dat het niet langer dan een maand zou duren.

Maar de Heer hielp me verder. Na één maand werden het vele maanden. 't Is nu al bijna veertig jaar, dat ik mijn Heiland trouw mag volgen.

Van de mensen van de Dorothea-zending kreeg ik traktaten tijdschriften. Ik ging huis aan huis in de wijk en vertelde met m'n hele hart, welk grote dingen de Here Jezus aan mij had gedaan. Velen waren zo geraakt, dat ik met hen moest bidden.

Als we de Heer dienen, hebben we een gelukkig leven. Maar we krijgen ook vervolging. Mijn vroegere vrienden bespotten mij. En toen alle pogingen om mij in het zondige leven terug te lokken, mislukten, noemden zij mij spottend "Moruti", de pastor. Uiteindelijk werden zij zo woedend, dat ze mij afranselden. Dat gebeurde herhaaldelijk. Ik zei: "Jullie kunnen mijn lichaam stuk slaan, maar mijn ziel is verlost door Jezus’ bloed".

Nadat ik de Heer enige tijd in de wijk had gediend, merkte ik aan de onrust, die me beving, als ik aan de ellende van anderen dacht, dat de Heer mij in Zijn dienst wilde hebben. Na vele gebeden werd mij duidelijk, dat ik naar de Dorothea-zending moest gaan om daar Gods leiding te zoeken.

Ik kon noch lezen noch schrijven. Toch diende ik een verzoek in om een opleiding aan de bijbelschool te volgen. Tot mijn grote verbazing nam men mij aan. Nooit zal ik het ogenblik vergeten, dat ik bij de Dorothea-bijbelschool, dichtbij Pretoria, aankwam. Ik had geen schoenen en geen hemd; ik had alleen een korte broek aan. Dat ik geen geld had, hoef ik u niet te vertellen. Ik wist alleen, dat de Heer mij had gezonden en ik vertrouwde HEM volkomen. Hij heeft mij niet teleurgesteld. Hij heeft voor mij in alles voorzien. Al gauw kreeg ik nieuwe kleren cadeau. De kosten van de bijbelschool-uitrusting werden gedragen door Europese christenen. De Heer gaf mij het verstand.

 

In korte tijd kon ik lezen en schrijven. Ik leefde alleen naar Gods Woord. Mijn naam veranderde ik in Shadrach, wat betekent: "iemand, die jubelend zijn weg gaat".

Spoedig mocht ik meewerken aan het geestelijke front. Overal kon ik getuigen, welke grote dingen de Heer gedaan had. Mijn kennis nam toe. Op dit moment kan ik negen talen (twee Europese en zeven Afrikaanse talen) vloeiend spreken, zodat ik de Heer ook in andere landen kan dienen. Maar de grootste vreugde in mijn leven is altijd, als ik verloren zondaars, zoals ik er zelf ook één was, tot de Here Jezus mag brengen.

Mijn gebed is, dat het door genade tot het eind van mijn leven zo mag blijven. Heeft HIJ alles voor ons gedaan? Verdient HIJ het dan niet, dat wij met Zijn hulp alles voor HEM doen? Wie niet voor Christus leeft, leeft aan het leven voorbij.

"De wereld gaat voorbij en haar begeren, maar wie de wil van God doet, blijft tot in eeuwigheid" (1 Johannes 2:17).  

Shadrach Mohanoe Maloka
September 1983